Geschiedenis loonschade

Home

Hieronder in het kort de geschiedenis van loonschade, loonverhaal en loonregres.

U kunt als loonschade verhalen al hetgeen uw werknemer zelf had kunnen vorderen, ware zijn/haar salaris niet doorbetaald. Naar Nederlands recht, zo heeft de Hoge Raad bepaald, kan het slachtoffer zelf (uw werknemer dus) niet meer vorderen dan zijn netto doorbetaald salaris.

Sinds juni 2008 is er een bepaling aan dit wetsartikel op het gebied van loonschade toegevoegd waarin staat bepaald dat de werkgever ook recht heeft op vergoeding van zijn re-integratiekosten. Dit gaat financieel gezien tamelijk ver: u kunt bij deze vorm van loonschade onder meer denken aan de kosten van een passende werkplek, therapeutische maatregelen, kosten van een vervoersvoorziening tot de kosten van uw arbo-dienst en HRM-afdeling.

loonschade vóór 1 maart 1996
Ondanks de invoering van het Nieuw Burgerlijk Wetboek per 1 januari 1992, was er tot 1 maart 1996 op het gebied van loonschade wettelijk niets geregeld.

In de praktijk nam een rechter die moest oordelen over loonschade, loonregres en loonverhaal genoegen met de zogeheten "cessie-constructie".

In de meeste CAO's was vastgelegd dat wanneer een werknemer door de schuld van een ander arbeidsongeschikt raakte, de werkgever de werknemer een voorschot zou verstrekken ter grootte van het gebruikelijke salaris. Dit voorschot werd verstrekt in afwachting van de schadevergoeding die de werknemer van de aansprakelijke partij zou gaan ontvangen.

Echter, tegelijkertijd droeg de werknemer zijn rechten ten aanzien van de door de werkgever betaalde en te betalen voorschotten (lees: het doorbetaald salaris) aan de werkgever over met behulp van een zogeheten cessie-akte. Vervolgens kon de werkgever op basis van die cessie-akte de door hem betaalde en nog te betalen voorschotten (lees: het doorbetaald salaris) op de aansprakelijke partij verhalen.

Het nadeel voor de werkgever was dat de rechter zich aan het zogeheten "civiel plafond" moest houden. Er mocht aan de werkgever nooit méér worden vergoed dan de werknemer zelf had kunnen claimen wanneer hij geen voorschotten van zijn werkgever had ontvangen.

Al heel lang is in het Nederlands recht vastgelegd dat een arbeidsongeschikte werknemer zélf ten aanzien van een aansprakelijke partij slechts recht heeft op het netto equivalent van zijn salaris. Dit komt weer omdat bepaald is dat schadevergoeding van een werknemer zélf in verband met arbeidsongeschiktheid niet aan Inkomstenbelasting onderhevig is.

Ander schadeposten, zoals kosten van een vervangende kracht, gederfde winst of re-integratiekosten konden in het verleden niet door de werkgever worden geclaimd. Dit laatste veranderde pas op 13 juni 2008, maar hierover onderstaand meer.

Invoering artikel 6:107a BW per 1 maart 2006
Na de invoering van het Nieuw Burgerlijk Wetboek in 1992 werd alsnog en vrij laat besloten de in de praktijk geldende "cessie-constructie" om te zetten in wetgeving. Dit gebeurde door toevoeging van artikel 6:107a BW, te weten het huidige lid 1, 2 en 4 (toen dus lid 1, 2, en 3).

Helaas voor de werkgever werd het "civiel plafond" gehandhaafd. Loonverhaal door de werkgever, bleef dus slechts mogelijk tot het netto aan de werknemer doorbetaald salaris. Er is in de Tweede Kamer destijds wel gesproken over een uitbreiding van het begrip loonschade tot bijvoorbeeld kosten van re-integratie, maar dit werd - waarschijnlijk om rechtseconomische overwegingen - onwenselijk geacht.

Toevoeging huidige lid 3 van artikel 6:107a BW per 13 juni 2008
Pas per 13 juni 2008 is het huidige lid 3 aan artikel 6:107a BW toegevoegd, inhoudende dat de werkgever ook de redelijke kosten van re-integratie op de aansprakelijke partij kan verhalen.

Het "bruto-netto traject", de werkgeverslasten, de kosten van vervangende arbeidskrachten en de gederfde winst, kunnen helaas nog altijd niet worden geclaimd.

Dit betekent dat tegenwoordig de verhaalbare loonschade bestaat uit het netto doorbetaald salaris + alle redelijke kosten van re-integratie.